Februari 2026 (deel 1)
03-02-2026
In gesprek met assistent-trainer Swawek Andrzejewski van Veendam 1894
Sommige voetbalverhalen beginnen op een trainingsveld, andere bij een levenskeuze. Het verhaal van assistent-trainer Swawek Andrzejewski van Veendam 1894 hoort onmiskenbaar bij die laatste categorie. Geboren en opgegroeid in communistisch Polen ontwikkelde hij al jong een scherpe blik, een sterke wil en een overleversmentaliteit. Via het jeugdvoetbal in Gniezno, een eerste avontuur in Tsjechië en een uitwisselingstoernooi belandde hij als 18-jarige in Veendam, waar voetbal en leven onlosmakelijk met elkaar verweven raakten. Wat volgde was een weg vol obstakels: verblijfsvergunningen, blessures, omwegen langs prof- en amateurclubs en de constante drang om beter te worden. Niet alleen als voetballer, maar vooral als mens, trainer en ondernemer. Andrzejewski is geen man van mooie praatjes, wel van visie, discipline en mentaliteit. In dit diepte-interview vertelt hij openhartig over zijn jeugd, zijn liefde voor het vak, zijn kijk op jeugdopleiding en zijn kritische maar loyale rol binnen Veendam 1894. Een gesprek over voetbal, maar vooral over karakter, keuzes en de vraag hoe je mensen – en een club – écht beter maakt.
Swawek Andrzejewski geportretteerd op het trainingskamp van Veendam 1894 in een zonovergoten Torremolinos: ‘Mijn levensverhaal tot nu toe is boekwaardig.’
Deel 1: Via het voetbal van Polen naar Nederland
Het lange interview met Swawek Andrzejewski doe ik in drie gedeeltes tijdens het trainingskamp van Veendam 1894 in Torremolinos. Twee keer zitten we heerlijk in de uitbundige Spaanse zon aan de rand van het hotelzwembad en één keer zitten we in de grote hotellobby. Zoals hij zelf zegt is zijn levensverhaal tot nu toe boekwaardig. Ik vraag Swawek of hij eerst eens iets wil vertellen over zijn achtergrond.
Het lange interview van uw verslaggever met Swawek vond grotendeels plaats aan de zwembadrand van ons hotel aan de zonnige Spaanse Costa del Sol.
Een huilende moeder
Swawek: ‘Ik ben geboren in Polen en heb daar de eerste 18 jaar geleefd. Dat was in de communistische tijd. Toen ik een jaar of 15 was, had ik al de gedachte om weg te gaan uit Polen. Of dat vanwege het communisme was? Ik weet het niet maar ik kreeg de kriebels om te vertrekken. Ja, zeker ook deels vanwege mijn toekomst. Kijk, mijn karakter is er altijd een geweest van observeren en denken. Dat gaat in mijn hoofd continu maar door. Ik ben niet iemand die uitbundig in de picture staat. Beschouwend? Ja, dat deed ik dus in die tijd in Polen ook. Ik kreeg al vroeg het idee dat mijn toekomst niet in Polen lag. Ik was nieuwsgierig of een toekomst buiten Polen beter zou zijn. Ten tijde van het communisme waren de grenzen dicht. Op school werd niet veel geleerd over andere landen, het ging veel over Polen en Rusland. Vier jaar Russische taal op school was verplicht. Het ging inhoudelijk weinig over andere landen. Dus ben ik op een gegeven moment naar Tsjechië gegaan. Daar heb ik het geprobeerd toen ik 18 was. Dat was de eerste keer dat ik mijn moeder huilend bij de bus heb zien staan. Of ik haar enige zoon ben? Nee, dat niet maar ik durfde deze stap aan.’ Swawek komt uit een gezin met twee broers en drie zussen. Een thuissituatie met zes kinderen. Zijn zus Gosia woonde ook een tijd in Nederland en was een periode een collega van mijn vrouw bij tandartspraktijk Huttinga. Omdat haar man niet kon aarden in Nederland zijn zij teruggegaan naar Polen (KF). Swawek: ‘Het was heel gezellig met zes kinderen thuis, maar ik ben een overlever. Ik durfde het avontuur aan te gaan. Dat is mijn grote voordeel. Vandaar dus mijn vertrek naar Tsjechië. Hoe ik daar gebleven ben? Heel simpel. Ik heb er een meisje leren kennen. En van het een kwam het andere. Ik ben twee weken bij haar ouders daar thuis geweest. Dat was allemaal heel gezellig maar ik observeerde Tsjechië en constateerde dat het teveel op Polen leek. Dat was dus niets voor mij. Vandaar dat ik weer terug ben gegaan naar Polen. Ik had ook een vriendin in Finland maar het was in communistische tijden moeilijk een visum te krijgen om daar naartoe te gaan.’
Swawek (staand 2de van rechts) samen met zijn broer Adam (doelman, gehurkt 1ste van rechts) gefotografeerd in het voetbalteam in Polen. (Foto uit archief Swawek)
Mieszko
Swawek: ‘Totdat de tijd kwam van uitwisselingen. Toen gingen we met het voetbalelftal uit Polen naar Nederland. Hoe mijn voetbalachtergrond eruit zag? Tot mijn 18de voetbalde ik bij Mieszko de voetbalclub in Gniezno, de partnerstad van Veendam. Mieszko is dezelfde club waar Arek Radomski ook voetbalde. Het is in principe een heel goede opleidingsclub. Ik heb het geluk gehad dat ik een heel goede trainer heb gehad: Jerzy Nowak. Die zelf op een hoog niveau gespeeld heeft (bij Lech Poznan en in het nationale elftal) en met zijn atletiekachtergrond fantastische trainingen in elkaar kon zetten. Daar heb ik heel veel van geleerd. Dat heeft me ook geholpen in mijn trainerscarrière van nu. Die dingen heb ik onthouden.’
Swawek had het geluk dat hij in Polen een goede voetbaltrainer kreeg. Jerzy Nowak, op de foto 2de van links, heeft zelf op een hoog niveau gespeeld. Swawek: ‘Ik heb heel veel van hem geleerd.’ (Foto uit archief Swawek)
‘Bij Mieszko heb ik in de jeugd gespeeld. Daar op een leuk niveau gevoetbald. Samen met Lech Poznan in de competitie en op toernooien tegen Legia Warschau. Je zou het met de tweede divisie in Nederland kunnen vergelijken. Op welke positie ik in het veld stond? Ik heb op alle posities gespeeld. Ja, ik was vrij allround. De jeugd leerde dat ze op alle plekken konden voetballen. Want als je spits was dan leerde je ook hoe een verdediger speelde. De filosofie was dat je op alle posities uit de voeten kon. Later ging ik meer en meer in de spits spelen. Mijn kracht was dat ik een snelle spits was. Ik was net een paar seconden sneller dan de rest. Ik plakte tegen de laatste man aan en als er een steekpass kwam dan was ik al weg. En ik had een behoorlijke uithoudingsvermogen. Ik bezat een geweldige conditie. Ik was superfit. Als een speler vier keer 50 meter sprintte dan kon ik dat wijze van spreken gemakkelijk acht keer doen. Ik kon een tegenstander kapotlopen. En ik kreeg op een gegeven moment echt een neusje voor de goal. Maar vooral had ik in die tijd het geluk dat er een goede trainer aanwezig was. Een trainer die je veel kon leren. Hij was erg goed in discipline en eiste van voetballers dat ze zowel op de training als in de wedstrijd alles zouden geven. Als wij bijvoorbeeld een wedstrijd verloren en vooral tegen Lech Poznan, de oude club van onze trainer, dan hoefden we hem na de wedstrijd niet aan te spreken. Zo chagrijnig was hij dan! Er kwamen daarom veel goede voetballers van Mieszko. Zie bijvoorbeeld Arek Radomski die zelfs A-international werd. In mijn tijd was dat Przemyslaw Urbaniak die later onder andere bij Lech Poznan ging spelen. Vanuit mijn team destijds werden altijd wel twee of drie spelers geselecteerd voor de nationale jeugdselecties. Nee, ik was daar niet bij maar het betekende toentertijd wel dat er zeer goede voetballers rondliepen in de JO-17 en JO-18. Het zei iets over de uitstekende opleiding toen. We gingen elk jaar één week op voetbalkamp waar we dan twee keer per dag trainden.’
Swawek kwam met zijn Poolse voetbalteam naar Veendam 1894 voor het spelen van een toernooi. Hij staat in de middelste rij precies in het midden. In diezelfde rij, 3de van rechts, herkennen we Veendammer Dick Lukkien senior. (Foto uit archief Swawek)
Bevrijdingsfestivals
Totdat ik op 18-jarige leeftijd via een uitwisseling in Veendam terecht kwam. Dat gebeurde onder meer door bevrijdingsfestivals. Die werden elke vijf jaar gehouden. Dat was op 5 mei 1990 met Kelowna. Toen ging ik met mijn team van Mieszko naar Veendam voor een toernooi. We voetbalden bij Veendam 1894 en werden onderverdeeld bij gastgezinnen. Ik kwam bij een gezin in Nieuwediep. Dat hoorde niet bij de gemeente Veendam maar bij Gieten. Dat was in die zin een beetje problematisch voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning. Toen we terug moesten naar Polen bood ik mijn gastgezin uit dankbaarheid aan dat als ze vakantie in Polen wilden houden, dat ze maar met mij contact moesten zoeken. Nog in hetzelfde jaar stonden ze bij mij voor de deur. Ik had dat niet verwacht, maar ze wilden beslist naar mij toe. Totdat ze dus met hun drie zoons bij mij op de stoep stonden. Ik heb voor ze een mooie vakantie in Polen geregeld. Ze verbleven hier drie weken. Daarna vroegen ze of ik niet een keer voor drie weken naar hen toe wilde. Om naar Nederland te gaan op vakantie. Dat vond ik prima. En zo belandde ik in Nederland. Nou, die drie weken werden drie maanden. Waarom ik na drie weken niet terugging naar Polen? Omdat ze mij vroegen om langer te blijven. Dat wilde ik wel en gingen we kijken wat mogelijk is. Ik kon voor drie maanden een visum krijgen.’
Profclub Veendam
‘In die drie maanden zeiden ze dat ik maar moest gaan voetballen. Daarom ben ik naar profclub Veendam gegaan. Thiemo Meertens was toen de trainer en Jan Korte was assistent en trainer van het tweede. Ron Jans, Henk de Haan en Rob McDonald speelden in het eerste. Dus toen trainde ik een paar keer mee. Jan Korte zei toen: ‘Die jongen kunnen we wel gebruiken’. Jan zag wel iets in dat brutale gastje die ook nog eens spits was. Hij was snel en beschikte over een uitstekende conditie. De looptrainer toentertijd genoot hier van. Eindelijk iemand die snapte hoe een looptraining in zijn werk ging. Vraag Mac Andrew of Dick Lukkien maar hoe dat ging. Die driehonderdmeters waren wat! Ze moesten zich allemaal aan mij optrekken, haha! Dus Jan zei: ‘Laten we die jongen binnenhalen en kijken wat er gebeurt’. Zo begon het dus voor mij als 18-jarige bij Veendam. Alleen had ik één probleem: het verkrijgen van een verblijfsvergunning. Ik kon mijn visum van drie maanden één keer verlengen. Er komen heel veel dingen bij kijken. En ik had de pech dat ik in Nieuwediep woonde. Dat hoort bij de gemeente Gieten en ik voetbalde in de gemeente Veendam. Gieten wilde op dat moment niet zoveel met buitenlanders en het afgeven van een verblijfsvergunning. Dat was mijn pech. Veendam was daar destijds veel soepeler mee. Dus ik had een jaar meegetraind, geen officiële wedstrijden gespeeld en ik had geen verblijfsvergunning. Al met al was ik zo’n twee jaar bij Veendam geweest en had alleen maar vriendschappelijke wedstrijden gespeeld. Veel voetballers van nu zouden gezegd hebben: ik kap ermee. Maar dat was niet mijn mindset. Toen had ik zoiets van: ik moet verder. Ik blijf, ik doe het en het komt wel een keer.’
De selectie van BV Veendam voor het stadion en Sportpark Langeleegte. Van deze goede lichting in 1994 maakte Swawek, op de foto vooraan 3de van links, ook onderdeel uit. Hij kon mooi Arek Radomski, op de foto links naast hem, helpen acclimatiseren in Veendam. (Foto uit archief Swawek)
Vriendschappelijk
‘Vandaar dat ik naar Achilles 1894 in Assen (hoofdklasse) ben gegaan. Want Veendam had het wel geprobeerd hoor om voor mij een verblijfsvergunning te regelen. Maar dat lukte niet. Theo Verlangen was daar trainer en er liepen spelers rond als Ronald Hamming, Ron Bambach (topscorer in de competitie), Anne Mulder (o.a. oud-FC Groningen) en keeper Pieter Beuzenberg (oud-FC Groningen). Maar eigenlijk was het hetzelfde verhaal als bij Veendam. Ik trainde mee en speelde de vriendschappelijke partijen. Ziengs van Scapino was toen sponsor. Ook zij hebben mij geholpen om een verblijfsvergunning voor elkaar te krijgen. Ik liep zelfs stage bij Scapino. Ze zeiden daar: wij gaan jou opleiden en zijn van plan om winkels in Polen te gaan opzetten. Daardoor kan jij bij Achilles blijven en wij zorgen dan dat jij hier in Nederland kan blijven. Ze boden mij via het bedrijf een woning aan om daar te gaan wonen maar dat wilde ik niet. De opzet was dus dat zij via mij een ingang in Polen zouden krijgen en dat zij zo een verblijfsvergunning voor mij zouden kunnen regelen. Dat is allemaal in gang gezet. Maar in de rechtbank hebben we deze zaak verloren. De advocaat van de tegenpartij bracht in dat voor deze baan Nederlanders voor zouden gaan. Maar ja, wij brachten de vraag in hoelang het zou duren voor een Nederlander Pools zou hebben geleerd. Kijk, Polen was toen nog geen EEG-land. In ieder geval verloren we dus die zaak. Ik ben nog een tijdje in Assen gebleven. Vervolgens ben ik nog een poosje bij VV Beilen (2de klasse) geweest waar ze ook nog iets wilden proberen te regelen met een verblijfsvergunning, wat ook niet lukte. Totdat ik weer terugging naar Veendam.’
Volgens kenners is dit een van de betere selecties die BV Veendam in de eerste divisie ooit heeft gehad. Volgens diezelfde trouwe volgers is er in die jaren (periode vanaf 1994) onder leiding van trainer Jan Schulting het beste voetbal gespeeld aan De Langeleegte. Swawek Andrzejewski (zittend 2de van rechts), Armand Mac Andrew (achterste rij 2de van links), Otto Voorma (rechts achter) en Arek Radomski (middelste rij 4de van links) maakten er deel van uit. (Foto uit archief BV Veendam)
Verblijfsvergunning
‘Bij de BV Veendam liep Nienhuis rond en ook Arek Radomski was er inmiddels. Henk Nienhuis vroeg mij toen om Arek te begeleiden omdat hij hier alleen was. Ik kon meevoetballen en Arek helpen om hier te acclimatiseren. En toen ik hier weer in Veendam kwam, leerde ik een Nederlands meisje kennen. Ik ging samenwonen en kreeg een verblijfsvergunning. Als ik achteraf geweten had dat dit zo gemakkelijk ging, had ik natuurlijk beter direct een meisje kunnen leren kennen en gaan samenwonen. Om op die manier een verblijfsvergunning te krijgen. Ook mocht ik toen voetballen. Arek zat bij de eerste selectie en ik zat bij het tweede van Jan Korte. Ik moest weer leren om een beetje grip op het voetballen te krijgen omdat ik alleen maar vriendschappelijk had gespeeld. Ja, ik denk dat we het dan hebben over 1994 inmiddels. Later stroomde ik door naar de eerste selectie om te trainen terwijl ik de wedstrijden in Veendam-2 speelde. Dat ging lekker als in een flow. Totdat op een gegeven moment zich een gastspeler meldde op de training. Hij kwam op proef. Net op een moment dat ik geen scheenbeschermers droeg. Dus toen ik vol op doel wilde schieten zette hij z’n been erin. Ik voelde het kraken en wist: dit is foute boel. Ik had m’n been gebroken. In de revalidatie heeft Otto Voorma mij ook nog geholpen. Dat heeft mij anderhalf jaar gekost. Daarna was ik dat speciale kwijt. Ik deed nog wel mee maar zonder dat speciale. Weet je: ik was hongerig naar voetbal en ik houd van uitdagingen.’
Een uniek duo
‘Dus ik ging het bij sc Heerenveen proberen. Daar liepen op dat moment Foppe de Haan en Gert-Jan Verbeek rond. Ik denk dat ik er ongeveer drie maanden ben geweest. Heb er meegetraind en maakte de beste trainer mee die ik heb gehad: Foppe de Haan. Het was een uniek duo. Foppe de Haan was de professor en Verbeek de uitvoerder. Daar heb ik toen heel veel van geleerd. Het was de tijd dat daar Bert Zuurman voetbalde. Ik ging vaak samen met Bert in de auto ernaar toe. Na drie maanden vroeg ik De Haan hoe en wat. Hij zei dat ik mocht blijven maar dat hij me geen topcontract kon geven. Hij kon me niks garanderen. Daarom wilde ik weg. Verbeek kon nog iets voor me regelen bij Heracles. Daarna heb ik het ook bij FC Groningen een paar weken geprobeerd. Ze voetbalden toen nog in het Oosterpark. Hans Westerhof was destijds trainer en na een gesprek met Martin Koeman en Piet Fransen kreeg ik een kans om me te bewijzen, maar helaas is dat niet gelukt. Ik koos op dat moment voor een stukje veiligheid en ging terug naar Veendam.’
Trainerscursussen en stofferen
‘Ik heb nog een tijdje in het tweede gevoetbald maar daarna heb ik afstand genomen. En ging voetballen bij de amateurs van Veendam 1894. Dat was de periode dat Dick de Jonge, Willem Boekweg, Harm Brouwer en Jeroen Adam er ook voetbalden. We hadden een mooi team dat wilde vechten om hogerop te komen. Ik bleef twee of drie seizoenen en ging over naar ASVB (1ste klasse). Daar was ik ook twee of drie seizoenen en toen vroeg de voorzitter van Bareveld, Willem Veenstra (de man waar ik destijds thuis heb gewoond), of ik VV Bareveld wilde helpen. Dat wilde ik graag voor hem doen en zo belandde ik bij VV Bareveld. We promoveerden naar de derde klasse. Het is een mooie vereniging met mooie mensen. Ik heb samen met de voorzitter en penningmeester Harry Hartsema (vader van onze selectiespeler Björn Hartsema) nog een toernooi in Polen voor ze geregeld. Ik had een heel goede band met zowel Willem als Harry. Ook trainde ik de jeugd in Bareveld. En toen was het voor mij genoeg. Ik was ondertussen ook al bezig met de trainerscursussen. Daarna koos ik dus voor het trainerschap en stopte met voetballen. Of ik al met mijn onderneming was gestart? Nee, nog niet. Ik werkte wel al een paar jaar als meubelstoffeerder en autobekleder bij Koning in Veendam en ook een paar jaar in Groningen bij Van der Wiel. Wat voor opleiding ik in Polen heb gevolgd? Daar heb ik geleerd voor meubelstoffeerder. Een beroepsopleiding. Mijn vader was al meubelstoffeerder en zijn broer ook. Het zit in de familie. En zo is mijn liefde en passie voor dit beroep ontstaan. Maar ja, ik kwam als voetballer naar Nederland. Later kwam ik dus een aantal jaren te werken als meubelstoffeerder. Bij een meubelstoffeerbedrijf in Groningen bleef ik een jaar of acht. Daar heb ik ook weer heel veel geleerd. Ik heb in die tijd ook twee keer meegedaan aan nationale wedstrijden voor Meubelstoffeerder van het Jaar. Ik werd twee keer tweede. In de Stad zeiden ze op enig moment: ‘Swawek, begin maar voor jezelf. Wij brengen het werk wel naar je toe’. Omdat ik klanten van ze kreeg, had ik een buffer om zelf te starten.’
Jan Korte, aan de bal, en Swawek Andrzejewski onderwijzen de Poolse jeugd in het edele voetbalspel. (Foto uit archief Swawek)
Wonen aan De Langeleegte en jeugd trainen
‘Toen ik mijn onderneming startte was ik nog steeds betrokken bij de voetballerij. In principe heb ik dat altijd gedaan. Ondertussen had ik een nieuwe partner ontmoet waarmee ik trouwde en ben gaan wonen aan de Langeleegte. Ik woon vlakbij Rick Slor. Daar hebben we elkaar weer gevonden. Inmiddels ben ik alweer zo’n 20 jaar gehuwd en we hebben twee kinderen. Een zoon en een dochter. Jamai is 22 en Myra is 25 jaar. Lachend: ‘Ja, ik ben ook al opa’. Kijk, toen Jamai geboren werd, ging hij toen hij ouder werd op kaboutervoetbal bij Veendam 1894. Ik kan me z’n eerste wedstrijdje nog goed herinneren. Ze moesten voetballen in Hoogezand. Ramon de Jong en Dion Beks deden bijvoorbeeld ook mee. Tijdens de wedstrijd hoorde je bijna niemand, alleen mij. Tja, zo’n bemoeizuchtige ouder, haha. Toen dacht ik al: hier moet ik iets mee. Bij de kabouters liet ik ze maar. Maar toen ze eenmaal naar de F-jes gingen, besloot ik ze training te geven. Ik moest Jamai toch brengen. Dus zo begon ik. Kreeg ik Ramon, Dion en Koen onder m’n hoede. Toen al was ik fanatiek. Af en toe kreeg ik zelfs ruzie met ouders. Dat ik teveel deed. Ik regelde regelmatig vriendschappelijke wedstrijden en soms extra trainingen. Ik wilde ze beter maken en ja mijn zoon was er ook bij. De training was maar een uur en een kwartier. Maar daarna had ik nog een afwerkvorm. Die kinderen vonden dat prachtig. Ja, dan liep de training een kwartier uit en begonnen de ouders soms te klagen omdat ze op tijd stonden. Toen ze zagen hoe hun kinderen genoten van de training stopte dat. Maar het waren mooie tijden. Toine, de zoon van Rick Slor en Quincy, zoon van Joop Gall, waren er ook bij. Het was een mooi team. Ik regelde destijds voor deze jongens en hun ouders een toernooi in Polen waar ze nog steeds over praten. Ik denk dat er wel vier of vijf jongens geselecteerd werden voor Groningen. Er stonden vaak scouts langs de lijn. Toen de jongens naar de D-tjes gingen, liet ik het los. Het beleid bij Veendam 1894 was toen zo dat als de jongens naar een groot veld gingen, wilden ze geen ouder als trainer. Toch raar. Ik had trainerspapieren en wist hoe het werkte. Vandaar dat ik naar een andere club ben gegaan. Zo kwam ik terecht bij de jeugd van ASVB en Hoogezand. In Hoogezand werd er destijds op divisie-niveau gespeeld. Ja, daar hebben ze altijd een goede jeugd gehad. Ze vroegen mij op een gegeven moment: wil jij de jeugdopleiding niet op je nemen? Dat wilde ik best doen. Maar ja, toen ik dagelijks veel telefoontjes kreeg, bleek dit toch niet iets voor mij te zijn. Ik ben geen regelaar maar meer een trainer. Ik liet weten alleen maar trainingen te willen doen, voor regelzaken moeten jullie iemand anders zoeken. Dus toen deed ik alleen de trainingen van de A-junioren. Later deed ik ook de JO-19 en was ik assistent bij de selectie in Wildervank. Een aantal jongens die ik toen in de JO-19 had, spelen nu in het eerste van VV Wildervank. Ook was ik toen actief bij de voetbalschool van Jan Korte. Iedere zondag stond ik daarvoor op het veld. Dat heb ik twaalf jaar gedaan tot het einde aan toe. Toen Jan naar Rolder Boys ging, vroeg hij mij of ik mee wilde. Daar heb ik ook de junioren gedaan en Jan geassisteerd bij de selectie.’
De jeugd van Veendam 1894 met onder anderen Dion, Ramon en Koen is in Polen om zich verder te bekwamen in de verschillende facetten van het voetbalspel. Oefenmeester Swawek, staand rechts op de foto, leerde ze dat er meer bij komt kijken dan alleen maar behendig zijn met een bal. (Foto uit archief Swawek)
Jeugdopleiding
‘Dus als het gaat om jeugdopleiding, durf ik nu wel te zeggen dat ik weet hoe het werkt. Ik denk te weten hoe je het bijvoorbeeld bij Veendam 1894 weer op niveau kunt krijgen. Hoe je trainingen moet geven en hoe je er structuur in kunt krijgen. In al mijn achterliggende jaren heb ik dat wel geleerd. Het is niet alleen de Wiel Coerver-methode maar bij mij is het nog iets extra’s. Dat je tijdens trainingen de bodem bereikt waardoor je denkt dat je niet meer kunt. Maar dan het geloof erin weten te brengen dat het nog dieper kan. Dat heb ik natuurlijk ook vanuit Polen meegenomen. Mijn trainer destijds liet ons trainen waardoor wij het idee kregen dat we echt niet meer konden. Hij zette het zo in elkaar dat je tóch doorging. Dat is mindset. En deze combinatie gebruik ik hier als ik jongens wil opleiden. Kijk, ik zit nu ook nog bij Rolder Boys. Daar hebben ze me ook gevraagd om te helpen bij JO-19 en JO-17. Vanuit mijn ervaring kan ik zeker iets toevoegen. Deze twee teams zijn weer gepromoveerd naar de hoofdklasse en ik schat in dat aan het einde van het seizoen twee à drie spelers van JO-19 mee kunnen doen met de selectie van Rick Slor.’
Een vijfjarenplan
Ik opper dat er wat moois kan ontstaan bij Veendam 1894 als je de geboren en getogen Veendammer Jan Korte op de een of andere manier – als adviseur bijvoorbeeld – bij de club kan betrekken. En in combinatie met zijn kennis en kunde er samen met Swawek iets moois kan neerzetten ten aanzien van de jeugdopleiding. Swawek: ‘Je moet een plan hebben voor een jaar of vijf. Een visie, een missie en een plan. Het begon bij Rolder Boys toen ik er nog was. Een duidelijk beleid met een uitgesproken ambitie. Een vijfjarenplan waarnaar gestreefd wordt. Kijk, Veendam 1894 heeft heel veel jeugd maar er wordt het minimale uitgehaald. Nee, het is niet goed dat er maar één team meer op divisie-niveau voetbalt. De jongens die nu in het eerste voetballen komen nog uit de tijd dat er veel meer in de jeugd op divisie-niveau gespeeld werd. Kijk, zoals nu ben ik met Mac naar de senioren gegaan. We moeten de spelers nu soms dingen leren die ze eigenlijk al in de jeugd hadden moeten meekrijgen. Ja, eigenlijk hadden ze die bagage al moeten hebben. Dat verklaart ook de wisselvalligheid. In de jeugd moet je al een goed fundament neerzetten. Zeker moet je als club investeren in je jeugd. Dan kun je de lijn doorzetten naar de senioren. Zo moeilijk is dat niet. Ja, eigenlijk zouden je beste mensen bij de jeugd moeten zitten. Het is jammer dat daar niet altijd voor gekozen wordt.’
Jan Korte en Swawek Andrzejewski begeleidden in Polen voetbalkampen en gaven daar demonstratietrainingen aan de trainers. (Foto uit archief Swawek)
Voetbaltechnisch hart
‘Ik ben met Jan ook vaak in Polen geweest. Daar heb ik voetbalkampen begeleid en demonstratietrainingen gegeven aan de trainers. Ik heb veel mogen doen met Jan. Vandaar dat ik nog steeds contact heb met Jan en we hebben een goede band. Dat heeft mij natuurlijk ook veel geholpen in mijn ontwikkeling als trainer.’ Wat zou het mooi zijn als Veendammer Rick Slor ook ooit nog eens zou terugkeren naar Veendam 1894. Ze zouden bij de geelzwarten een mooi kwartet kunnen vormen: Armand Mac Andrew, Swawek Andrzejewski, Jan Korte en Rick Slor eventueel gecompleteerd door Veendam-icoon Angelo Cijntje. Een voetbaltechnisch hart bij de amateurvereniging. Swawek: ‘Rick Slor is eigenlijk een tegenpool van Mac Andrew, vind ik. Met beide mannen mag ik graag sparren. We hoeven elkaar maar aan te kijken en het gaat over voetbal. Ja, je hebt gelijk. Als je Veendam 1894 verder vooruit wilt helpen dan zou de basis moeten liggen bij de jeugd. Ik denk wel trouwens dat Veendam 1894 pas aantrekkelijk voor trainers wordt als er binnen de club een goede structuur aanwezig is. Ja, ik weet het. Vind ze maar eens. De juiste mensen die ook nog eens met elkaar dezelfde kant opkijken. Eigenlijk moet je als vereniging tegen buitenstaanders moeten kunnen zeggen: kijk, dit is ons (jeugd)beleid. En hier willen we de komende vijf jaar naartoe. Dit willen we bereiken. Dat iedereen weet – ook voor nieuwkomers – waar-ie aan toe is. Dit is wat jeugdspelers per leeftijdscategorie moeten kunnen. Duidelijk maken wat er van iedereen wordt verwacht. Ook wat betreft vaardigheden. Dat ontstaat natuurlijk niet in één keer. Het is een geleidelijk proces. Nee, het klopt dat dat bij Rolder Boys ook niet in één dag was geregeld.’
Prikkelen
We hopen dat als mensen dit lezen, ze geprikkeld worden om de juiste dingen te doen voor de club. Swawek spreekt z’n zorgen uit: ‘Kijk wat er nu gebeurt bij Hoogezand. Het zit daar niet goed bij de jeugd en met de selectie gaat het heel moeizaam. Van het prachtige jeugdbeleid is weinig over daar. Als ze bij Veendam niet oppassen gaat daar hetzelfde gebeuren. Dan lopen jongens op een gegeven moment ook weg. Maar dat wil je natuurlijk niet. Je wilt een toonaangevende club zijn. Met gediplomeerde mensen bij de jeugd. Inderdaad, vind ze maar eens. Wellicht is het een idee om eigen mensen op te leiden. Kwalitatief goede mensen die tijd willen en kunnen steken in een mooie vereniging. Ik weet zeker dat als je een paar deskundige mensen aan het roer hebt, je dit zeker kunt realiseren. Van bovenaf moet je sturen. Je moet mensen in de organisatie handvatten en een stuk begeleiding geven.’ Hier liggen enkele uitdagende opdrachten en taken.
Deel 2: Ondernemer en voetbaldier
Educatie
Swawek: ‘Door het voetbal was het voor mij in Nederland een stuk gemakkelijker. Ik verkeerde gelijk in allerlei sociale kringen via het voetbal. En mijn drive was vanaf het begin direct te beginnen met Nederlands te leren. Dat is heel belangrijk en zou ik iedereen adviseren. Nee, ik ben niet bij de nonnen geweest, haha. Maar ik had geluk dat mijn gastouders allebei hoog opgeleid waren. En hun drie zoons zaten op de WP allemaal op vwo-niveau. Dus thuis was er educatie. Zij hebben voor mij uitgezocht wat de beste manier was om Nederlands te leren. Asielzoekers kregen in de gemeente Veendam drie à vier keer per week Nederlandse les. Ze adviseerden mij om daarbij aan te sluiten. Dat heb ik gedaan en ben vervolgens doorgegaan.’
‘Ik heb de mavo gedaan. Nederlands vond ik leuk. Alleen het dictee was drama. De spelling vond ik moeilijk. Wanneer één a of twee a’s? Maar in het toepassen van ’t Kofschip was ik de beste, haha. Daar zit logica in. Ja, ik weet dat veel Nederlanders het hier moeilijk mee hebben. Op de mavo deed ik drie vakken: Nederlands, Engels en economie. Ook economie boeide mij. Ik wilde daarin wel verder. De manier van onderwijzen in Nederland is gemakkelijker. In Polen had je veel meer vakken en ook meer algemene vakken. Daar ging je dan uitgebreid op in. Denk bijvoorbeeld aan muziek. Daar hadden we elke maand een klassieke concert. In het begin had je zoiets van: wat is dit? Maar je leert naar klassieke muziek te luisteren. Dat voorrecht had ik. Daar krijg je ook energie van. Op de verschillende vakken in Polen ging je uitgebreid in. Ook bijvoorbeeld bij geschiedenis. Dus in Polen had je er ontzettend veel algemene vakken omheen.’
Economie
‘Kijk, in Nederland was het veel meer van: wat heb ik nodig? Tenminste zo heb ik het verschil ervaren. Waarom economie mij hier zo boeide? Ik denk dat het te maken heeft met een soort van organisatiestructuur. En toch ook wel een stuk ondernemerschap. Ja, dat zat er blijkbaar in. Ik was hierin zeer geïnteresseerd en wilde ermee verder. Ik moest een toelatingsexamen doen om toegelaten te worden. Ik deed dat bij de LOI. Inderdaad werd ik toegelaten en ging deze studie thuis volgen. Man, wat kreeg ik een boeken thuisgestuurd, haha. Al snel ontdekte ik dat een thuisstudie niets voor mij is. Ja, ik wilde ergens naartoe en les krijgen. Ach, het was ook een beetje teveel van het goede. Ik had het voetbal en ik werkte. Dus ja, je beweegt je constant in een sociale omgeving en daarom wordt je Nederlands steeds beter. Door fouten te maken ontwikkel je je. En je leest natuurlijk veel. Ik wilde vanaf het begin direct mijn leven oppakken hier in Nederland.’
Swawek: ‘Wij deden de inrichting van de uitvaartcentra. Yarden-crematoria in heel Nederland. Moet je nagaan: Yarden-Nederland kwam uit bij Swawek. Daar ben ik best trots op. (Foto uit archief Swawek)
Klantenkring
‘Of ik nog diploma’s moest halen om mijn onderneming te starten? Een middenstandsdiploma of iets dergelijks? Nee, een aantal jaar geleden hebben ze dat in Nederland vrij gegeven. Dat heeft een voordeel en een nadeel. Iedereen kan in principe voor zichzelf beginnen. Ja, en als je geld nodig hebt van de bank dan heb je inderdaad een businessplan nodig. Dat had ik niet nodig. Ik kreeg direct al klanten van mijn vorige werkgever. En ik had natuurlijk geleerd te overleven in communistische tijden. Dan ontwikkel je een plan hoe je iets kunt opstarten zonder externe hulp. Kijk, ik was al bezig een klantenkring op te bouwen. In de avonduren was ik al druk doende. Heel veel uren maken en doorzetten. Tot het op een gegeven moment staat. Ja, ik lever vakwerk af. En mond-tot-mondreclame werkt in die zin het beste. Wij werken voor negentig procent in Nederland voor het bedrijfsleven. Yarden-crematoria in heel Nederland met als hoofdkantoor in Almere was een klant van mij. Tot ze werden overgenomen. Ja, moet je nagaan: Yarden-Nederland kwam uit bij Swawek. Daar ben ik best trots op. Wij deden inderdaad de inrichting van de uitvaartcentra. Inclusief de verlichting met lampenkappen. En de bekleding inclusief herstelbekleding. Dat was voor mijn bedrijf natuurlijk een mooi stukje reclame. En hier in de buurt hebben we zitelementen voor Theater Martini Plaza in Groningen, de Klinker in Winschoten en Uitvaartcentrum Buitenwoelhof in Veendam gerealiseerd.’
Swawek: ‘Kwaliteit is ons uitgangspunt. Wat ook een mooi project voor ons was en waar we bijzonder trots op zijn, is dat we van deze Triodos Bank alle wanden hebben gestoffeerd met akoestiek er in!’ (Foto uit archief Swawek)
Een ambacht
‘Ja, ik ben begonnen als zzp’er. Als zelfstandige zonder personeel. Ik ben twee jaar alleen geweest. Daarna begon ik met één werknemer die inmiddels alweer twaalf jaar bij me werkt. Een tweede werknemer is ook inmiddels alweer vijf jaar bij me werkzaam. En eigenlijk ben ik nog steeds op zoek naar nog iemand. Ja, we zijn met z’n drieën maar sinds nu (januari 2026, KF) zijn we met vier man. Net voordat ik meeging op dit trainingskamp is dat rondgekomen. Of dat allemaal stoffeerders zijn? Nee, stoffeerders zijn niet te vinden. Dat is een vak. Een ambacht die in mijn familie van vader op zoon is gegaan. Ik ben nu bezig met het Alfa-college in Groningen om meubelstoffering wel op te pakken. Om daar misschien les of workshops in te geven. Ja, in Zwolle is iets centraal geregeld maar nu willen ze dat in Groningen ook wel oppakken. Daar hebben ze nu iemand voor. Ik ben daar bij betrokken in een adviserende, motiverende en enthousiasmerende rol.’
Kwaliteit
‘Ja, ik ben nu in mijn onderneming alles. Meubels stofferen én bedrijfsleider. Ik kan moeilijk dingen loslaten. Dat is nog mijn mindset vanuit Polen. Ik werk net zoveel als mijn jongens maar doe daarnaast ook nog de administratie. Alleen de salarisadministratie heb ik uitbesteed. Maar ook daar zit ik bovenop. Het zou teveel zijn om dit allemaal zelf te doen. Ik concentreer me vooral op het feit dat er werk binnenkomt. Ons kenmerk als bedrijf is kortgezegd kwaliteit. Dat bouwen we op en zorgen dat we dat leveren. We hebben een stuk continuïteit in onze klantenkring vanuit het bedrijfsleven met particulieren eromheen. Maar de groep particuliere klanten is relatief klein. Die hebben vaak niet zoveel te besteden. Daar wil ik niet afhankelijk van zijn. Vandaar het bedrijfsleven. En die hebben we in heel Nederland.’
Swawek: ‘We hebben een rol gespeeld bij de inrichting van Paleis Het Loo. Kasten en deuren bekleden. Ze kiezen voor een bedrijf dat kwaliteit levert.’ (Foto uit archief Swawek)
Paleis Het Loo
‘We hebben bijvoorbeeld ook een rol gespeeld bij de inrichting van Paleis Het Loo in Apeldoorn. Kasten en deuren bekleden bijvoorbeeld. Nee, het was geen rechtstreekse koninklijke opdracht. Zoiets gaat altijd via via. Natuurlijk ben ik er trots op dat ze je vragen. Ze kiezen voor een bedrijf dat kwaliteit levert. Kwaliteit overwint alles. Het klopt dat het best wel moeite kost om die kwaliteit te behouden. Net als in de sport. De top bereiken kost heel veel energie, tijd en inzet, maar aan de top blijven is nog veel moeilijker. Dat is bij ons ook zo. Iedereen kan een bedrijf beginnen maar om dit vast te houden, daar gaat het om. Je kunt als bedrijf ook te snel willen groeien. Het gaat erom dat je een goed fundament neerzet. Daarom is het soms beter om het in kleine stapjes te doen. Net als bij een huis heeft een bedrijf een stevige fundering nodig. En nu ik drie medewerkers heb, moet ik wel zorgen dat de boel draait. Zij hebben ook gezinnen hè. Want als het niet draait, komen zij ook in de problemen. In die zin voel ik me verantwoordelijk. Er moet wel omgezet worden. Aan de andere kant moet er ook een stuk gezelligheid zijn. Dat is ook belangrijk. Het is net als in de sport. In die zin heb ik een zekere mate van vrijheid. Als er thuis ziekte is of ze moeten een keer naar het ziekenhuis dan zorg ik voor ze. Ze houden zelf de verzuimde tijd bij zonder dat ik me in die zin strikt hoef op te stellen. Het belangrijkste is: dat we met elkaar weten dat er wél omgezet moet worden. Er moet wel iets binnenkomen. Daaromheen is er wel het een en ander mogelijk. Inderdaad, ze moeten zich zelf ook verantwoordelijk voelen voor het goed draaien van de toko. Dat ze zich bewust worden van het feit dat hun inbreng belangrijk is voor een optimale bedrijfsvoering. En gelukkig hebben ze dat.’
‘Wees open en sta open voor kritiek’
‘Het klopt dat het gaat om de juiste mensen om je heen te verzamelen.’ Dit kunnen we een-op-een vertalen naar de voetballerij. Binnen een voetbalorganisatie gaat het er ook om dat er capabele mensen aan de knoppen draaien. Dat je je daarin omringt weet door deskundige lui die niet alleen maar ja en amen knikken maar die ook kundig tegengas kunnen geven. Aan roeptoeterende stuurlui aan wal heb je in principe niks. Swawek: ‘Je hebt gelijk: zonder wrijving geen glans en zonder strijd geen overwinning’. Ja, en vooral de communicatie. Wees open en sta open voor kritiek. Voel je niet persoonlijk aangesproken. Het gaat om het geheel. Dat zijn maar weinigen die dat kunnen. Zie het in het licht van het algemeen belang.’ Vergelijkbaar met: eerst is er het clubbelang, dan het teambelang en tenslotte pas het individuele belang. Swawek: ‘Veel mensen voelen zich bij kritiek persoonlijk aangesproken terwijl het vaak om ‘de zaak’ gaat. Tja, mensen voelen zich dan aangevallen en lopen weg. Maar waarom? Het gaat om de vereniging. En dat moeten we met elkaar doen.’
Het gesprek aangaan
‘Zoals ik je vertelde had ik bij de jeugd ook strubbelingen met ouders. Dan kun je twee dingen doen: of je trekt je er niks van aan en gaat door of je gaat het gesprek aan. Dus ik ging het gesprek aan. Ik legde uit waarom ik bepaalde dingen op die manier deed. Dat ik bijvoorbeeld naast de competitiewedstrijdjes ook veel oefenwedstrijden regelde. Het was voetballen, voetballen en nog eens voetballen. Daardoor leerden ze. Ik zorgde al bij E-tjes bijvoorbeeld dat ze al 35 minuten voor aanvang van de wedstrijd op het veld stonden voor de warming-up. Dat zie je weinig hè bij kleine kinderen. We begonnen rustig met de warming-up en daarna kwam de bal in het spel. Mijn visie was: dan zijn ze al een half uurtje met de bal bezig. In het begin was dit lastig want daarna moesten ze nog de wedstrijd spelen. Maar de kinderen werden er sterker van. We speelden een keer in het stadion. Volgens mij stond Dion toen in het doel. De warming-up ging als volgt: bal aanspelen, naar de zijkant, voorzet en afronden. Vervolgens zag je dat terug in de wedstrijd. Tja, daar kan ik dan van genieten. En dan praat je over E-tjes van toen hè.’
Jan Korte (voorgrond) en Swawek Andrzejewski hebben hun eigen visie op het trainen van jeugd. Swawek: ‘Je moet elke training beschouwen als een finale en alles er willen uithalen wat er in zit!’ (Foto uit archief Swawek)
‘Ook met het bestuur had ik strubbelingen. Op Sinterklaasavond bijvoorbeeld wilde ik gewoon met de jeugd trainen. Ik stuurde een berichtje rond wie er wilden trainen. De jongens waren gewoon gek op voetballen en op trainen. Zover had ik ze wel gekregen. Ze wilden geen training missen. Maar ja, wij gingen als enigen trainen want er was een Sinterklaasfeest. Na afloop kwam er iemand van het bestuur naar me toe die zei: ‘Er zou vanavond niet getraind worden’. Nou we stopten direct omdat we toch al klaar waren. Had ik het toch voor elkaar gekregen. Dat is bij mij toch een stuk fanatisme. Inderdaad, fanatiek tot en met. Ik vind en weet voor honderd procent zeker dat als je wat wilt bereiken, dat niet kan met een minimale inzet. Het vereist een maximale inzet en zelfs nog meer. Als je richting de top wilt moet je meer doen dan anderen. Op die manier word je alleen maar beter. Daarvoor moet je ver durven en willen gaan. Daarbij moet je elke training beschouwen als een finale en alles er willen uithalen wat er in zit! Bij Wildervank trainden we twee keer per week maar ik had aangeboden om op vrijdagavond te gaan trainen op vrije trappen, voorzetten en corners. Terwijl op zaterdag de wedstrijd is. Het resultaat is wel dat jongens als Marc Nijland of Joran van Zwol nu gevaarlijk zijn bij vrije trappen, corners en voorzetten. En ze genieten ervan dat het ze lukt.’
Klik volgende voor het vervolg van februari 2026.